|
|
|
|
|
|
In de negentiende eeuw werden de eerste voorlopers van het moderne privacyrecht in de Nederlandse Grondwet (GW) opgenomen. Dit waren het huisrecht (1815) en het briefgeheim (1848). Na de introductie van deze twee klassieke grondrechten bleef het een tijd stil op het gebied van de privacywetgeving. Pas in de tweede helft van de 20ste eeuw leidde nieuwe technische en maatschappelijke ontwikkelingen tot een toenemende belangstelling voor het privacyrecht in Nederland. Nieuwe technieken maakten het mogelijk om op nieuwe manieren af te luisteren en te bespieden. Een andere belangrijke dreiging die werd gevoeld zat in het opkomen van grote administraties in computervorm. De bewustwording van de gevaren van moderne registraties beleefde een piek naar aanleiding van de volkstelling van 1971. Het mislukken van die volkstelling bracht opeens de privacy, als beschermbegrip van de persoonlijke levenssfeer in het brandpunt van de belangstelling. Naar aanleiding hiervan werd de Staatscommissie Bescherming Persoonlijke Levenssfeer in verband met Persoonsregistratie ingesteld. Deze commissie, genaamd Koopmans, suggereerde een instructienorm in artikel 84 van de Grondwet op te nemen, luidende: ‘de wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.’ Zij adviseerde het op te nemen bij de sociale grondrechten. De regering besloot echter om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in zijn huidige vorm in artikel 10 lid 1 van de Grondwet vast te leggen. Wat precies wordt verstaan onder de ‘persoonlijke levenssfeer’ was daarmee nog niet gedefinieerd. In een kamerstuk van 1975/1976 is het omschreven als de ‘ruimte’ die de burger overhoudt om zijn eigen leven te leiden met zo min mogelijk bemoeienis van buitenaf (Tweede Kamer, 1975/76, 13 872-3, p. 41). Hieruit blijkt ook dat het niet alleen om de inhoud en de aard van gegevens gaat, maar ook om wat ermee gebeurt en dat de persoonlijke levenssfeer niet per definitie is beperkt tot besloten ruimten.
De eerste pijler waar het begrip ‘privacy’ op rust is dat in ethische en rechtstheoretische debatten men meestal uitgaat van de gemeenschappelijke vooronderstelling dat privacy toeziet op de onschendbaarheid van de persoonlijke levenssfeer. In het algemeen wordt aangenomen dat het bij de persoonlijke levenssfeer gaat om de bescherming van zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van de menselijke persoon. De hiervoor vaak gebruikte term ‘recht op privacy’ komt uit het Amerikaanse recht en een klassieke omschrijving hiervan luidt: ‘the right to be let alone’. In een memorie van toelichting uit 1967-1968 op art. 10 GW is de persoonlijke levenssfeer omschreven als de reeks situaties waarin de mens onbevangen zichzelf wil zijn (Tweede Kamer, 9419-3, 1967/68, p. 3). Het recht op privacy is een afweerrecht: een recht om de persoonlijke levenssfeer te beschermen tegen betrekkingen met de buitenwereld. Deze onschendbare persoonlijke levenssfeer kan worden beschouwd als de kern van het hedendaagse gangbare privacybegrip. De term privacy wordt in het taalgebruik doorgaans gebruikt als metafoor: privacy binnen een bepaalde privé-sfeer, ruimtelijke dimensie of bij aspecten van een persoon. Wat de persoonlijke levenssfeer voor een individu uiteindelijk is blijft subjectief en wordt gevormd door ervaringen en de sociale conventies waarmee een persoon opgroeit. De ene keer is het alleen in een ruimte willen verblijven, de andere keer is het een intiem etentje met een stel goede vrienden. Privacy kan dus ook betrekking hebben op intimiteit, ongeacht de plaats waar die intimiteit zich voordoet. Daarmee komen we op het volgende aspect: in hoeverre heeft men recht op privacy (als beschermbegrip van de persoonlijke levenssfeer) in het publieke domein? Bovendien geldt ook dat beroeps- en bedrijfsmatig uitgeoefende activiteiten niet zonder meer buiten het bereik van het recht op privacy vallen.
Een tweede pijler waar het privacybegrip op rust is de mate van bescherming. De bescherming die privacy verlangt is hoog. Elke observatie, belemmering of aantasting van het privé-leven is in beginsel ongeoorloofd, ongeacht de persoon die observeert of wordt geobserveerd en het doel en de zorgvuldigheid die daarbij in acht wordt genomen. De wenselijkheid van bescherming volgt namelijk direct uit het intieme, kwetsbare of persoonlijke karakter van het beschermde goed. Naar Nederlands recht heeft het recht op privacy in Nederland geen absolute bescherming. Rechtvaardigingsgronden voor de inbreuk op privacy liggen in het algemeen belang.
Naast het onderscheidt privaat/publiek is door de enorme vooruitgang in de communicatie- en informatietechnologie ook een behoefte aan informationele privacy ontstaan. Er kan tegenwoordig ook in een omgeving die in eerste instantie als de publieke sfeer wordt beschouwd sprake van schending van de privacy zijn. Dit kan gebeuren als informatie over een persoon in een andere context wordt gebruikt dan oorspronkelijk was bedoeld. Ook als die informatie in eerste instantie geen betrekking heeft op zaken die strikt genomen persoonlijk, intiem of privé zijn. Een andere reden om de verwerking van persoonsgegevens in het publieke leven aan privacyregels te onderwerpen is dat met behulp van deze gegevens tegenwoordig profielen kunnen worden gemaakt. Op basis hiervan kunnen individuen buitengesloten, beïnvloed of gemanipuleerd worden. Informationele privacy slaat op de vastlegging, bewerking en de verstrekking van persoonsgegevens. De bescherming van de informationele privacy is in het Nederlandse recht vastgelegd in art. 10 lid 2 en lid 3 van de Grondwet. Het informationele privacyrecht is opgeknipt in twee onderdelen. Artikel 10, lid 2 gaat over het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. Lid 3 zegt dat de wet regels stelt inzake aanspraken op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt alsmede omtrent de aanspraken op verbetering of verwijdering van gegevens.
In de jaren negentig is een nieuwe denkwijze over het begrip privacy ontstaan. Gaat het bij het ‘nog steeds’ gangbare klassieke privacybegrip vooral om de afscherming van de persoonlijke levenssfeer, in de nieuwe stroming gaat het om de regulering van betrekkingen tussen individuen. Aanhangers van dit gedachtegoed gaan er vanuit dat de persoonlijke levenssfeer pas wordt aangetast als de opgeslagen informatie in een verkeerde context wordt toegepast. Aan de hand van het onderwerp Cameratoezicht zullen de belangrijkste verschillen tussen de klassieke en de nieuwe zienswijzen worden toegelicht. Bij de klassieke benadering geldt dat de eerste vraag die moet worden gesteld is of cameratoezicht de persoonlijke levenssfeer van het individu aantast. Is dat het geval, bijvoorbeeld omdat er vanuit gegaan wordt dat het individu op dat moment en op die tijd ook op de openbare weg recht had om onbevangen zichzelf te zijn, dan is cameratoezicht in beginsel niet toegestaan. Deze situatie kan bijvoorbeeld ontstaan als camera’s in een rosse buurt staan opgesteld. De vastlegging en verwerking van gegevens vermindert immers de onbevangenheid van de persoonlijke levenssfeer en is dus in beginsel onrechtmatig. Of er een uitzondering kan worden gemaakt, omdat cameratoezicht in een bepaald geval een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy maakt, zal moeten blijken uit een belangenafweging, waarbij privacy in de ene schaal ligt en criminaliteitsbestrijding in de andere schaal. Bij de nieuwe benadering van het begrip privacy is in beginsel niet relevant wat de camera’s registreren. Of al dan niet de persoonlijke levenssfeer in beeld komt is niet van belang. Het gaat er in deze benadering vooral om dat de vastlegging en verwerking van gegevens redelijk en zorgvuldig gebeurt. Concreet betekent dit in het voorbeeld van cameratoezicht dat allereerst de gegevensverwerking een redelijk doel moet dienen. Dat betekent dat er moet worden aangetoond dat op plaatsen waarop de camera’s zijn gericht, de criminaliteit bijvoorbeeld werkelijk een probleem is. Ten tweede zal moeten worden aangetoond dat de invoering van cameratoezicht noodzakelijk is voor het doel van criminaliteitsbestrijding. Daarbij gaat het om de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Uit evaluaties zal duidelijk moeten blijken dat de camera’s daadwerkelijk een bijdrage leveren aan de criminaliteitsbestrijding. Door beveiligingsmaatregelen aan het camerasysteem en kortdurende bewaartermijnen van de bestanden zal moeten worden gegarandeerd dat de opgeslagen beelden niet in de verkeerde handen kunnen belanden. Deze afwegingen geven invulling aan het rechtmatigheidsoordeel over cameratoezicht. In deze optie wordt privacy begrepen als de aanwezigheid van een gerechtvaardigd toezicht.
Bron: 'Beter in Beeld: de ins en outs van cameratoezicht' (Schouwstra, F. 2007)
|
|